HanzestedenTijdens stadswandelingen wordt me regelmatig gevraagd wat nu de betekenis van het woord Hanze is. Mijn boeken gaven niet direct uitkomst. „Internet‟ geeft verschillende verklaringen. Interessant om te zien dat er soms verbanden tussen de verklaringen in de verschillende bronnen bestaan en in andere gevallen staat de verklaring van het woord meer op zichzelf.

Website over Arnhem
Arnhem was, net als de Gelderse steden Zutphen, Tiel en Nijmegen ingedeeld in het Keulse kwartier van de Hanze. De steden beloofden elkaar militair bij te staan. Arnhem beloofde in zo‟n geval vier gewapenden te leveren. Dat was niet zoveel als Deventer, Tiel en Nijmegen (acht), maar even veel als Zutphen en meer dan Harderwijk (twee) of Doesburg (één). Deze gewapenden zijn ook de oorsprong voor de naam „Hanze‟; Hansa’ betekent: bewapend, d.w.z. handelaren die met wapens werden begeleid. Handelaren zochten bescherming tegen overvallers en sloten zich op hun handelsreizen bij elkaar aan1.

Gemeentelijke structuurvisie Doesburg
De oorsprong van de naam „Hanze‟ is onduidelijk, behalve dat het woord rond de 12e eeuw in Duitsland handelsbelasting of belasting betekende2.

Scriptie Mark Schonewille (RUG)
be4beaeca9b7171b404686b7491927e6Hoewel er veelal een sterke relatie bestond tussen de koopmansgilden en de hanzen, mag deze twee organisatievormen zeker niet met elkaar verwarren. De stedelijke handeldrijvende klasse kon verenigd zijn in een koopmansgilde, wie zich aan de langeafstandshandel waagde, sloot zich bovendien aan bij een hanze.
Friedland (1991, pp. 21-25) bespreekt de vroegste vormen van het woord hansa. Dit woord werd al in de vierde eeuw gebruikt door bisschop Ulfila, die op de Balkan werkend in 370 de woorden “...en riepen de ganse bende samen” (Marcus, 15:16; statenvertaling)3 vertaalde met het Gotische “gahaitan alla hansa”. Zo ook de “Althochdeutsche Tatian”, een onbekende geestelijke van het klooster Fulda, die een verwante zinsnede in de negende eeuw vertaalde met “gisamanoten zi imo alla thia hansa”, hetgeen “...en vergaderden over hem de ganze bende” (Matheus 27;27) betekent. Ook werd het woord in andere vorm, namelijk hôse, door een Angelsaksische geestelijke gebruikt in het heldendicht Beowulf, waar het eveneens een groep of schare betekent.
In de twaalfde eeuw, stelt Friedland, is het woord hanse in gebruik geraakt als aanduiding voor de kooplieden die over de grens handel dreven. Naast hanse bezigde men ook wel de termen Gesinde, te vertalen met reisgezelschap, of herjun, heri of herje, doorgaans vertaald met schare (Dit blijkt bijvoorbeeld uit de hoogduitse versie van het Hildebrandslied (ca. 800), net als het
Tatiangeschrift opgetekend door een geestelijke te Fulda, en uit het negende-eeuwse Muspilli (Bötticher 1907).), niet altijd in militaire zin. De vraag die dan nog rest is:
welke speciale betekenis, die de middeleeuwse kooplieden aan het woord hanse toekenden, bracht hen ertoe zichzelf als zodanig te profileren? Friedland poogt hierop een antwoord te geven door de diverse vormen van het woord op hun betekenis te onderzoeken. Hij komt dan tot de volgende conclusie:
“[Hanse bedeutet ü]berall: Personen, die einander —wie in einer gewachsenen Gemeinschaft— schon mehr oder weniger nahestehen, die aber gemäß Willensbekundung in einde besondere —zweckbestimmte— Aktionsgruppe oder Gefährtenschaft aufgenommen werden. “Hanse” bedeutet aber vor allem: ...das Recht, Außenhandel zu treiben” (1991, p. 22).
Daarmee heeft Friedland de betekenis van het woord echter verklaard uit het gebruik ervan, doch hij verzuimt het gebruik van het woord te verklaren uit de betekenis. Dat is overigens niet verwonderlijk, want tenzij men wenst uit te gaan van essentialistische opvattingen, kan men slechts het gebruik en niet de betekenis van een woord bestuderen, althans in empirische zin. Derhalve zal deze paragraaf voorts slechts nog aandacht besteden aan het gebruik van het woord hanse, waarbij wordt verondersteld dat de betekenis van het woord wordt afgeleid van het gebruik.
Van Werveke (1968) biedt een overzicht van de oorsprong van de hanzen in Vlaanderen en de terminologie die in dat graafschap ten aanzien van dit instituut werd gebezigd. In Vlaanderen is het vroegst bekende, aan hanse verwante woord de term hanseurs. Volgens Van Werveke (1968) waren dit Valencijnse kooplieden die geen deel uitmaakten van het koopmansgilde aldaar, maar wel hanzerechten moesten betalen. In Sint-Omaars, waar het koopmansgilde tusen 1072 en 1083 zijn grote bloei doormaakte, bestond uiterlijk in 1244, maar wellicht el veel eerder, een aparte hanse van kooplieden.
Bovendien schijnt men er volgens een Latijnse tekst hansa geheven te hebben, een handelwijze die wel met het werkwoord hansare (Lat.) werd aangeduid. Dergelijke hansa schijnen voornamelijk in het buitenland te zijn geïnd, door de leden van het gilde in St.-Omaars rond 1127 en door kooplieden uit Nieuwpoort, Damme en Biervliet in ca.1168, 1180 respectievelijk 1183. De term komt in de betekenis van hanzerecht of heffing voor in documenten waarin de graaf van Vlaanderen in bepaalde gevallen het heffen van Hansa verbiedt.
Bekend is de Vlaamse hanze van Londen (zie ook: Lloyd 1991). Pirenne dateerde twee teksten uit Brugge en Ieperen, waarin het woord hanse wordt gebruikt ,op 1187 en 1241, of later. Hoewel ca. 1200 de term hanse ook wel koopmansgilde betekende, leidt Van Werveke uit het werk va Pirenne af dat het woord al gauw een andere betekenis kreeg, immers om lid te zijn van een hanze moest men tevens lid zijn van een koopmansgilde. Deze konden dus niet dezelfde zijn. Omdat de teksten ook op
Diksmude, Aardenburg en Rijsel van toepassing zijn, is het gerechtvaardigd nu van een interstedelijk samenwerkingsverband te spreken.
Na 1200 is er sprake van de Hanze der XVII steden, die tot in de dertiende eeuw is blijven bestaan. Deze Hanze bestond uit een groep samenwerkende steden uit Artois, Vlaanderen, Pnthieu, Champagne, Vermandois en Nederlotharingen. Het hoofddoel van dit samenwerkingsverband schijnt volgens Van Werveke de versterking van de positie van noordelijke kooplieden op de jaarmarkten van Champagne te zijn geweest, maar hij vermeldt geen bronnen die dat onderschrijven.
Tenslotte waren ook Middelburg, Mechelen en Antwerpen bekend met de term hanse. In Middelburg werd er in 1271 waarschijnlijk gewoon het koopliedengilde mee bedoeld. In Middelburg, Mechelen (1276) en Antwerpen (1308) was sprake van een hanzerecht, een bedrag dat men verschuldigd was indien men in bepaalde buitenlandse gebieden handel dreef, waarmee voornamelijk het gebied ten oosten van de Maas werd bedoeld.
Dollinger (1967, p. 12) benadrukt de betekenis van het woord hanze als handelsbelasting. Waarschijnlijk werd hij daarbij geïnspireerd door het hanzerecht, aangezien ook hij spreekt van een heffing dat door kooplieden in het buitenland moest worden betaald. Vervolgens noemt hij een koninklijke bul, gegeven aan Noordduitse kooplieden die handel dreven op Londen. Dollinger ontwaart hier een ontwikkeling van het gebruik van de term, eerst in de betekenis van hanzerecht, later om er groeperingen handelsreizigers mee aan te duiden. In 1343 richtte de koning van Noorwegen en
Zweden zich ten slotte tot de universis mercatoribus de hanse Theutonicorum. Dit is een aanwijzing dat voortaan het geheel van Noordduitse kooplieden als de Hanze werd beschouwd en dat zij zich niet langer beperkte tot de vreemdelingen die tezamen een stad aandeden. Na verloop van tijd moet men zelfs zijn opgehouden de Hanze als een samenwerkingsverband van louter kooplieden te beschouwen. Uiteindelijk bedoelde men met de Hanze de stedenbond met Lübeck aan het hoofd. Dat laatste blijkt ook uit drie reisverslagen van afgezanten van de Zuiderzeesteden, uitgegeven door Theunisz (z.j.). De voor de stedenbond gebruikte term neemt verschillende vormen aan, bijvoorbeeld Hanze (p. 20), Anze (p. 53) en Hanse (p. 63). Bovendien wordt een keer van hanze-societeyt gesproken (p. 69). In elk van de verslagen wordt steeds uitsluitend het stedelijke samenwerkingverband bedoeld en wordt steeds gehandeld ten behoeve van de steden, niet de kooplieden.
Hoewel de verschillende termen in al hun betekenissen lange tijd naast elkaar werden gebruikt, is duidelijk dat Dollingers visie juist is. Het instituut dat met de term hansa en afgeleide vormen werd aangeduid, heeft zich ontwikkeld van een handel drijvend reisgezelschap tot een machtig stedelijk samenwerkingsverband. Uiteindelijk werden nog slechts de steden bedoeld en leek de koopman niet langer de ultieme drager van het Hanzeatische apparaat4.


1 http://www.arneym.nl/canonarnhemtot1900/rijnenhanze/00000097a7109f101/index.html
2 http://www.belvedere.nu/nieuwsbrief/nieuwsbrief10/Bachelorthesis-Niels-van-de-Kamer.pdf
3 Om dit deel van de tekst te kunnen plaatsen een uitgebreider deel van Marcus 15:
12En Pilatus, antwoordende, zeide wederom tot hen: Wat wilt gij dan, dat ik met Hem doen zal, Dien gij een Koning der Joden noemt?
13En zij riepen wederom: Kruis Hem.
14Doch Pilatus zeide tot hen: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer: Kruis Hem!
15Pilatus nu, willende der schare genoeg doen, heeft hun Bar-abbas losgelaten, en gaf Jezus over, als hij Hem gegeseld had, om gekruist te worden.
16En de krijgsknechten leidden Hem binnen in de zaal, welke is het rechthuis, en riepen de ganse bende samen;
17En deden Hem een purperen mantel aan, en een doornenkroon gevlochten hebbende, zetten Hem die op; 18En begonnen Hem te groeten, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden
!4 http://home.zonnet.nl/marksch/papers/scriptie.pdf

Joomla templates by a4joomla